|
Home Wat is Bamboo Select ? Kwaliteit van Bamboo Select Bamboe in de wereld Bamboe in Europa Bamboe in de tuin Bamboe voor openbaar groen Belangrijke soorten Botanische kenmerken Verzorging van bamboes Plantenlijst Meest Gestelde Vragen Links
| |
De
belangrijkste geslachten van winterharde bamboes
|
|
Winterharde
bamboes komen vooral uit China en Japan, de moederlanden bij
uitstek voor sierbamboes. Voor
tuingebruik kunnen de winterharde bamboes in drie groepen worden
onderverdeeld. Deze
indeling komt grosso modo overeen met een plantkundige indeling en
binnen deze groepen vallen meer dan 95% van de winterharde
bamboes:
-
Phyllostachys
groep, meestal hogere bamboes met kruipende of leptomorfe rizomen: Phyllostachys,
Brachystachyum, Semiarundinaria, Sinobambusa, Chimonobambusa
(en Qiongzhuea), Shibataea
-
de
Sasa groep, lagere tot hoge
bamboes met leptomorfe rizomen: Sasa, Sasaella, Pseudosasa, Pleioblastus, Indocalamus, xPhyllosasa
(syn. Hibanobambusa)
|
|
|
(1)
Fargesia-groep
Middelhoge
tot hoge bamboes met pachymorfe of zodevormende rizomen en de
planten groeien meestal éénzodig, met uitzondering van Yushania,
met een lange rizoomnek, wat het uitzicht van verspreide halmen
geeft. De soorten
zijn zeer geschikt als solitair of als afscheiding.
De meest winterharde bamboes komen voor in het geslacht
Fargesia, terwijl de bamboes behorende tot de andere geslachten,
minder winterhard zijn in West-Europa.
De
naamgeving in deze groep is erg controversiëel en verscheidene
synoniemen worden door elkaar gebruikt.
Maar de namen die in deze catalogus worden gebruikt zijn
momenteel het meest gebruikt, zowel in handel als in officiële
boeken en lijsten over tuinbouw.
Fargesia
Fargesia
zijn ideale bamboes voor de tuin.
Van nature groeien de planten in bossen in de bergen waar ook
pandas voorkomen en Fargesia’s behoren tot het favoriete voedsel
van de met uitsterven bedreigde Reuzenpanda.
Het klimaat is er vochtig en kil, en de bomen laten weinig
licht door. Vandaar dat
Fargesia-soorten zeer goed in de schaduw gedijen.
Bovendien zijn de beide soorten zeer geschikt als potplant
en, in tegenstelling tot de meeste andere bamboes in pot die de
winter beschut moeten overwinteren, zijn deze soorten bestand tegen
de meest gure weersomstandigheden.
Tot
nog toe was het sortiment beperkt tot F. murieliae en F. nitida,
maar door de introductie van een aantal nieuwe soorten uit
moederland China (o.m. F. robusta, F. dracocephala en F. denudata),
en nieuwe selecties van F. murieliae zaailingen, gaat het
assortiment in de toekomst zeker een grote uitbreiding kennen.
Fargesia
murieliae is één van de allerbeste tuinbamboes. De bloei en het afsterven van de oude generatie (van één
moederplant die in het tweede decennium van onze eeuw in Europa werd
geïntroduceerd) de voorbije jaren, hebben als positief resultaat
dat talrijke zaailingen konden worden geselecteerd.
|
| |
| |
|
 |
|
Fargesia
rufa |
| |
|
 |
|
Fargesia
murieliae 'Simba' |
|
|
(2)
Phyllostachys groep
Zijn
meestal hogere bamboes met kruipende of leptomorfe rizomen. De soorten die hierin voorkomen, kunnen worden gebruikt als
solitair planten of voor beplanting van grotere stukken, en als haag
of afscheiding. Decoratieve
stengels vinden we in verschillende vormen.
Deze bamboes zijn veelal goed winterhard, met uitzondering
van Chimonobambusa.
Chimonobambusa
(en Qiongzhuea)
De
nieuwe scheuten van deze groep van bamboes groeien net voor de
winter uit. De soorten
worden tussen 2 en 5 m hoog en de halmen
zijn 1-2 cm diameter. Opvallend
bij deze groep zijn vierkante
rechthoekige halmen, bij verschillende soorten, vooral in het
onderste derde deel van de halm.
De
onderste knopen hebben ook vaak een ring van doornachtige verharde
wortels. Chimonobambusa
hebben 3 of meer zijtakken, het schedeblad valt af of kan aan de
plant blijven.
De
bekendste soorten zijn Chimonobambusa quadrangularis en C.
marmorea, en ook de bonte vormen (blad en/of stengel), hoewel
deze laatste nauwelijks beschikbaar zijn.
Chimonobambusa tumidissinoda (synoniem is Qiongzhuea
tumidinoda) heeft zeer opvallende verdikte knopen en wordt in
China vooral voor wandelstokken aangewend.
Qiongzhuea
wordt niet als apart genus beschouwt maar als een sectie van het
geslacht Chimonobambusa. Deze planten zijn minder winterhard (vooral
bovengrondse schade) en moeten in de winter goed worden afgedekt en
beschermd.
Phyllostachys
Dit
geslacht is zonder enige twijfel het belangrijkste voor de echte
bamboeliefhebber. Een
enorme variatie aan groeivormen en stengelkleuring, maken deze
gracieuze bamboes tot de favoriet van de bamboeliefhebber.
Op de meeste knopen komen 2 (soms 3) zijtakken en de kant
waar de zijkant of de knop is ingeplant is afgeplat en wordt sulcus
genoemd. Door deze twee
kenmerken kan een Phyllostachys altijd worden herkend.
Het schedeblad valt.
Er
zijn momenteel meer dan 120 soorten en vormen van dit geslacht in
Europa. Deze groeien
vooral in tuinen van liefhebbers en verzamelaars.
Maar tussen de 25 en 40 soorten zijn inmiddels doorgedrongen
tot de handel. Hiertussen
zijn allerlei vorm en kleurvarianten te vinden. Phyllostachys nigra,
de zwarte bamboe, was de eerste winterharde bamboe die in Europa
werd ingevoerd (omstreeks 1827).
Vooral in de laatste jaren werden talrijke nieuwe soorten en
vormen gevonden en ingevoerd. Niet alle vormen zijn van belang voor de sierteelt.
Gele
en groene kleurvarianten komen voor in verschillende soorten, zoals
een aantal voorbeelden in de tabel aangeven. |
 |
|
Chimonobambusa quadrangularis
|
| |
|
 |
|
Ph. arcana 'Luteosulcata'
|
| |
|
 |
|
Ph. nigra 'Punctata' |
|
|
Soort |
volledig
groen |
groene
stengel
gele
sulcus |
gele stengel
groene sulcus |
volledig
geel |
|
aurea
aureosulcata
bambusoides
sulphurea |
de
soort
'Alata'
de
soort
'Viridis' |
'Flavescens-Inversa'
de
soort
'Castilloni-inversa'
'Houzeau' |
'Koi'
'Spectabilis'
'Castilloni'
'Viridisulcata' |
'Holochrysa'
'Aureocaulis'
'Holochrysa'
de
soort |
|
|
Het
zijn bamboes met een leptomorf rizoom, al dan niet woekerend. Een aantal soorten zijn sterkere woekeraars, en bij de aanleg
dient hiermee rekening te worden gehouden.
De neiging tot woekering is ook sterk afhankelijk van de
standplaats en de bemesting van de grond.
|
|
|
Semiarundinaria
Dit
geslacht is het resultaat van een kruising waarbij
Phyllostachys-soort één van de ouders is, wat zichtbaar is aan de
groeivorm, namelijk hoog en opgaand, en de andere ouder is een
Pleioblastus-soort, wat duidelijk zichtbaar is in het
vertakkingspatroon. De
zijtakbundels bestaan namelijk uit meerdere zijtakken (tegen 2 (soms
3) zijtakken bij Phyllostachys).
De zijtakken zijn kort en niet overhangend.
Dit geeft de planten een speciaal uitzicht, met gedrongen
zijtakbundels. Snoei is
dus niet nodig. De hoogte is tussen de 7 en 10 meter.
In
tegenstelling tot de soortenrijkdom van Phyllostachys zijn er
slechts enkele soorten die momenteel belangrijk zijn in de
sierteelt; vooral
Semiarundinaria fastuosa, de zuilvormige bamboe, met bruine
stengels, Semiarundinaria viridis, de vorm met een groene stengel,
en verder Semiarundinaria kagamiana, S. yashadake, S. yashadake
‘Kimmei’, en S. yamadorii.
|
|
|
Shibataea
Een
groep van lagere bamboes met leptomorfe rizomen. Deze bamboes worden
in de natuur 1-2 m hoog maar lenen zich uitstekend tot snoei als
laagblijvende haag. Ook
als vakbeplanting zeer geschikt.
Terwijl bamboebladeren meestal lang zijn en niet zo breed,
zijn bij Shibataea de bladeren opvallend breed (2.5-3cm) en vrij
kort (8-10 cm). Er zijn
per knoop 3-6 zijtakken. Meest
bekend is de vorm Shibataea kumasaca en in mindere mate de vormen
met geel-bonte of witbonte bladeren.
|
|
|
(3)
Sasa groep
Dit
zijn lage tot hoge bamboes met leptomorfe rizomen die, afhankelijk
van de soort tussen 50 cm en 5 m hoog kunnen worden.
Deze bamboes kunnen vooral worden aangewend als
vakbeplanting, als grondbedekking of als afscheiding.
Een aantal van deze soorten zijn aggressieve woekeraars en
hiermee dient bij aanplant terdege rekening worden gehouden.
Binnen deze groep hebben de
bamboes meestal fijnere halmen.
De bladgrootte varieert sterk tussen de soorten, van zeer
fijne blaadjes tot grote bladeren van 50 cm lang en 8 cm breed.
Bovendien komt veel variatie voor in de bladkleur, zowel
witbont als geel-groenbont. De
meeste soorten binnen deze groep zijn zeer goed winterhard.
Indocalamus
Deze
groep van bamboes is vooral bekend van de soort Indocalamus
tesselatus, die bladeren heeft tot 50 cm of langer, en tot 10 cm
breed. Deze plant wordt
1-2 m hoog, maar de grote bladeren zijn bijzonder opvallend.
Vooral in de winter wanneer de bladeren met sneeuw of rijp
zijn bedekt, is deze soort bijzonder decoratief in de tuin.
Indocalamus latifolius is nauw verwant maar blijft lager (tot
1.5m) en de bladeren zijn iets minder groot.
Pleioblastus
Een
soortenrijk geslacht met enkele pareltjes van bamboes.
Een groot aantal soorten of varieteiten hebben een bont blad
en zijn bijzonder decoratief in de tuin.
De meeste soorten zijn middelhoog, een aantal zijn lage
bamboes, bruikbaar als bodembedekker.
Ze kunnen worden gebruikt als afscheiding, als vakbeplanting
of als bodembedekker. Er
zijn 3-7 zijtakken, en de schedebladeren kunnen afvallen of blijvend
zijn. Afhankelijk van de soort, is de stengel vaak onder de knoop
berijpt. Meest bekend zijn Pleioblastus variegatus, met witbont
blad, Pleioblastus pygmaeus, een bodembekkende groenbladige soort,
en Pleioblastus auricomus, met een geel-groen bont blad.
Pseudosasa
Pseudosasa
is een geslacht van bamboes dat sterk gelijkt op Sasa, maar ze
hebben geen opvallende knopen.
De vertakking is net als bij Sasa bovenaan de halmen, en de
zijtak is bijna even dik als de halm.
Pseudosasa japonica is ongetwijfeld één van de allerbeste
tuinbamboes, zeer geschikt voor hagen en afscheidingen.
Deze soort heeft grote bladeren
en kaarsrechte stengels. Pseudosasa
amabilis is wijd verspreid in China en hiervan worden de zogenaamde
Tonkinstokken gemaakt.
Sasa
Opnieuw
een soortenrijk geslacht, met een sterke variatie aan groeivormen en
bladeren. De knopen
zijn opvallend (dit in tegenstelling tot Indocalamus en Pseudosasa).
Men vindt ook Sasaella onder Sasa.
Meest bekend zijn Sasa palmata, een soort die ongeveer 3 m
hoog wordt met grote bladeren, en Sasa veitchii, die in de winter
zeer karakteristieke witte, in het najaar afstervende, bladranden
heeft. Sasaella glabra “Albostriata” is een mooie bamboe met
opvallend wit-bonte bladeren.
xPhyllosasa
(syn.
xHibanobambusa)
Dit
is een kruisingsproduct tussen Phyllostachys en Sasa, maar met meer
Sasa-achtige kenmerken, vandaar zijn plaats in de Sasa groep. De plant werd voor het eerst gevonden aan de voet van de berg
Hibano, vandaar de vroegere naam.
Volgens de regels van de kunst is de naam xPhyllosasa te
verkiezen, omdat in deze naam beide ouders duidelijk voorkomen. Dit geslacht kent maar twee interessante vormen, namelijk
xPhyllosasa tranquillans, en de bontbladige vorm ‘Shiroshima’.
Beide vormen worden 3 m hoog. Doordat
de bladeren groot zijn en de
stengels eerder hangend, krijgen
de planten een sterk overhangende groeivorm.
|
|
 |
|
Indocalamus
tesselatus |
| |
|
 |
|
Pleioblastus
auricomus |
| |
|
 |
|
Sasa palmata |
| |
|
 |
|
Pseudosasa japonica |
|
|