|
Home Wat is Bamboo Select ? Kwaliteit van Bamboo Select Bamboe in de wereld Bamboe in Europa Bamboe in de tuin Bamboe voor openbaar groen Belangrijke soorten Botanische kenmerken Verzorging van bamboes Plantenlijst Meest Gestelde Vragen Links
| |
Botanische kenmerken
De
hoogte van bamboes kan sterk variëren van soort tot soort, gaande
van lage bodembedekkende soorten die nauwelijks 20-50 cm hoog
worden, tot reuzenbamboes van 30 m en hoger.
De hoogte van een plant wordt uiteraard in de eerste plaats
bepaald door de hoogte van de individuele halmen, maar in de
tweede plaats door de groeivorm van de planten.
Want halmen van een aantal tropische bamboes die als lianen
kruipen over andere vegetatievormen (bomen) kunnen tot 120 m lang
zijn!
Bamboescheuten
groeien uit in een enkele grote groeiperiode door een nauwgezet
proces van vooral celstrekking en in mindere mate ook celdeling. Bamboes kennen niet zoals bomen een secundaire
diktegroei, maar de halm heeft reeds de uiteindelijke dikte
wanneer hij bovengronds verschijnt.
|
|
Internodiën
Voor
een goede toepassing van bamboe in de tuin en voor determinatie
van bamboes zijn een aantal basisbegrippen over de bouw van bamboe
onontbeerlijk.
Bamboehalmen,
-zijtakken en rizomen zijn allemaal assen opgebouwd uit dezelfde
basisbouwstenen. Deze
bouwstenen bestaan uit een nodale zone (knoop), en een internodale
zone tussen opeenvolgende knopen (internodium/tussenknoopstuk).
Op de nodale zone zijn knoppen, beschermende bladorganen en
eventueel wortels ingeplant.
De
internodia zijn hol (uitzondering is de Z-Amerikaanse Chusquea) en
de knopen hebben een tussenplaat of diafragma. De halmwand is dik
of dun, afhankelijk van de soort.
De lengte van internodia variëert ook zeer sterk, zelfs
binnen 1 plant. Bij
Phyllostachys aurea bijvoorbeeld vinden we onderaan korte
gedrongen internodia, terwijl de internodia hoger meer dan 20 cm
lang zijn.
|
|
|
De
knoop is een min of
meer afgelijnde zone waarop de bladstructuur is ingeplant die de
jonge halm bij uitgroei en tegelijk de okselknop beschermt.
De ring waardoor de bladstruktuur met de nodale zone is
verbonden noemt men de nodale ring (of knopenring);
Het bovenste deel van de nodale zone wordt vaak opvallend
begrensd door een vooruitstekend gedeelte, supranodale ring of
supranodale kam genoemd.
Op
de knopen zijn ook zijknoppen ingeplant, die kunnen uitgroeien tot
zijtakken. Bij
bamboes zijn de knoppen meestal enkelvoudig, maar ze vertakken
reeds zeer vroeg in de ontwikkeling.
Hierdoor ontstaan zijtakbundels met een bepaald aantal
zijtakken. Phyllostachys
bijvoorbeeld heeft zijtakbundels met 2 zijtakken, soms met een
derde kleinere zijtak. Fargesia
heeft zijtakbundels met vele zijtakken. Sasa heeft een
zijtakbundel met slechts 1 zijtak, die praktisch even dik is als
de halm en enkel op de bovenste delen van de plant.
Deze zijtakken zijn op hun beurt ook weer gesegmenteerde
assen die zijn opgebouwd uit dezelfde basisbouwstenen.
|
|
 |
|
Fargesia denudata
|
|
Rizomen
De
groei van bamboe gebeurt vooral onder de grond onttrokken aan het
oog. Ondergronds
vinden we de rizomen van de bamboes, ondergrondse wortelstokken,
die zorgen voor de uitbreiding van de plant, voor transport van
voedsel en water doorheen de gehele plant, voor opslag van
voedsel, voor de verankering van de plant in de bodem.
En bovendien: vanop het rizoom
lopen knoppen uit die nieuwe bovengrondse halmen geven.
De bovengrondse halmen en de bladeren zorgen voor voedsel
door fotosynthese, het ondergrondse deel bestuurt de verdeling
ervan, en zorgt dat alles zo optimaal mogelijk verloopt.
Rizomen kunnen worden onderverdeeld in 2 types, een
pachymorf rizoom en een leptomorf rizoom.
*
Een pachymorf rizoom is dikker dan de halm, en zijknoppen van het
rizoom vormen een nieuw rizoom waarvan de apikale knop uitgroeit
tot een nieuwe halm. Het
rizoom en de halm zijn aan de rest van de plant verbonden door een
rizoomnek, die geen knoppen en zeer zelden wortels heeft en die
lang of kort kan zijn.
*
Een leptomorf rizoom is dunner dan de halm, groeit ondergronds als
een gewijzigde stengel, en zijknoppen van het rizoom groeien uit
tot nieuwe halmen. De
knopen van een leptomorf rizoom dragen elk een zijknop en wortels
of wortelinitia. De
halm is met het rizoom en de rest van de plant verbonden door een
halmnek.
Voor
een ingewikkelde begrip als rizoom is de overgang tussen een
zuivere vertakking en een rizoom niet altijd duidelijk.
Er zijn ook overgangsvormen, niet enkel bij zaailingen of
bij regeneratie na bloei, maar ook bij stresssituaties.
De bovengrondse groei van halmen, en hoe ze verspreid zijn,
kan niet worden afgeleid uit het rizoomtype alleen.
Halmen kunnen verspreid groeien, in één enkele zode (éénzodig)
of in meerdere verspreide zoden (meerzodig).
Veel
hangt af van de groeiomstandigheden waarin bamboes groeien.
In bepaalde omstandigheden zullen Phyllostachys planten
meer éénzodig groeien, maar zodra ze de kans zien te ontsnappen,
lopen hun rizomen weg en duiken nieuwe halmen soms verschillende
meters verder op. Het
is daarom ook van het allergrootste belang om van bij de aanplant
rekening te houden met de groeikracht van de bamboes.
|
| |
| |
 |
|
Pachymorf rizoom |
| |
| |
 |
|
Leptomorf
rizoom |
|
De bladeren bij
bamboes
Elke
basisbouwsteen wordt beschermd door een blad dat is ingeplant
rondom de knoop, op de nodale ring.
Opmerkelijk is dat deze bladstructuur bij bamboes velerlei
vormen kan aannemen. De bladstructuur bestaat uit de eigenlijke
bladschede, die het segment omvat, en meerdere aanhangsels, die
meer of minder ontwikkeld zijn, afhankelijk van hun plaats op de
plant. Ingeplant op
de schede komen een
bladschijf voor, met oortjes die al of niet gewimperd zijn, en een
tongetje. Het
belangrijkste aanhangsel van de schede is de bladschijf die met de
eigenlijke schede rechtstreeks is verbonden of door een bladsteel.
De bladschijf kan in min of meerdere mate gereduceerd zijn.
Op rizoomscheden is de schijf bijna volledig gereduceerd.
Bovengronds,
tot bijna boven in de halm, is
de bladschijf eerder klein.
Er is geen bladsteel, en de bladschijf is rechtstreeks
ingeplant op de schede; dit zijn de halmbladeren, en hun functie
is om de jonge halm tijdens de uitgroei te beschermen.
Na de groei verliezen de halmbladeren hun functie en
verdrogen. Ze kunnen
afvallen of aan de halm gehecht blijven.
Op het uiteinde van de hoofdas en de zijassen echter zien
we loofbladeren, waarvan de bladschijf sterk is uitgegroeid en met
de schede is verbonden door een bladsteel.
Hun functie is voorzien in energiebehoefte van de plant
door bladgroenverrichting. Vandaar
dat deze bladeren gedurende lange tijd functioneel blijven, tot
meerdere jaren. De
bamboe ‘ververst’ wel regelmatig zijn bladerdek, vooral na
strenge winters. Het
gewicht van dit bladerdek kan ervoor zorgen dat de halmen
doorbuigen.
Afhankelijk
van de soort die je kiest, heb je bamboes met fijne lange blaadjes
van 7 cm, tot gigantische bladeren van 50 cm lang en 8 cm breed. Bovendien bestaan vele bamboevormen met een bont blad, zowel
witbonte als geelbonte bladeren.
Vooral
halmbladeren zijn van groot belang voor de determinatie van
soorten. Een goede
diagnose van de soort is daarom vaak enkel mogelijk in het
groeiseizoen bij de uitgroei van nieuwe scheuten.
De oortjes en wimpers, de kleur van de schede, het al of
niet behaard zijn, de stand van het schedebladschijf (opgericht,
horizontaal, afhangend) en de vorm ervan (lang, kort, vlak, verdraaid..) zijn
belangrijke gegevens.
Groeivorm,
halm, rizoom en bladeren samen zijn belangrijke gegevens voor de
juiste determinatie van de soort.
Omdat bloei bij bamboe eerder uitzondering dan regel is, is
het noodzakelijk om vegetatieve of groeikenmerken ter beschikking
te hebben om bamboes ter plaatse te kunnen determineren.
En dit is zeker geen eenvoudige zaak.
|
| |
|
 |
| |
| |
|
 |
|
Halmblad
bij Semiarundinaria fastuosa
|
| |
| |
|
 |
|
Loof en
halmbladeren bij Fargesia utilis |
|
|